J  a  n      E   v   e  r   i   n  k      S  i  t  e   Home E-mail


Paradigmashift: afscheid van het materialisme

door Jan Everink

juni 2008

Socrates was in de westerse cultuur de eerste Vragende Mens. Zijn wijsheid bestond vooral daaruit dat hij blťťf zoeken naar waarheid, omdat hij besefte dat veel zekerheden van zijn tijd slechts schijnzekerheden waren.
Dat is ook in onze tijd het geval, de schijnzekerheden van onze tijd zijn gebaseerd op het materialistische dogma dat er geen zielen bestaan, dat de levende natuur en de civilisatie door toeval zijn ontstaan.
Maar er zijn tekenen dat het bouwwerk van de materialistische schijnzekerheid op instorten staat. De mythe dat het toeval kan leiden tot steeds meer vooruitgang houdt niet langer stand. Geleidelijk breekt in de samenleving het inzicht door dat de mens als spiritueel wezen in staat is tot doelgericht onderzoek en constructieve activiteit, en dat alleen daardoor vooruitgang mogelijk is.




Socrates-beeld te Athene
Foto Vasiliki Varvaki

 

Wat is wetenschappelijk?

Het materialistische dogma wordt nog steeds overeind gehouden door irrationele beperkingen die tegenwoordig worden opgelegd aan het wetenschappelijk onderzoek. Het materialisme is gebaseerd op de neopositivistische wetenschapsleer, een kennissysteem dat precies wil voorschrijven aan welke eisen een kennis-uitspraak moet voldoen om als zinvol te mogen worden beschouwd. Zolang dit neopositivisme, ofwel logisch positivisme, toegepast wordt kan het materialistische dogma niet ter discussie worden gesteld, want alle voorstellen voor een beter principe worden dan onmiddellijk als onwetenschappelijk terzijde geschoven.

Het criterium van de neopositivistische kennisleer is namelijk dat elke wetenschappelijke theorie experimenteel onder laboratorium-omstandigheden geverifieerd moet kunnen worden. Dat principe kan echter alleen bij zeer eenvoudige, en meestal weinig relevante kennis-uitspraken toegepast worden. Bij belangrijke hypotheses kan de juistheid onmogelijk door een simpel laboratorium-experiment worden aangetoond. Veel theorieŽn kunnen alleen in het leven zelf getoetst worden.


Karl Popper: groeien naar waarheid

Een veel beter principe dan het neopositivisme is het door Karl Popper geÔntroduceerde concept van de groei naar steeds juistere kennis. Daarbij is de theorievorming vrij en worden theorieŽn geleidelijk op basis van onderzoek verbeterd om zo steeds dichter bij de waarheid te komen. Als een nieuwe theorie beter is dan de bestaande dan wordt het onderzoek vooral op basis van deze nieuwe theorie voortgezet.

Serieuze filosofen en onderzoekers laten zich niet voorschrijven welke ideeŽn ze wel en niet mogen hebben en publiceren. Ze vinden dat elke kennis-uitspraak als zinvol mag worden beschouwd zolang de onjuistheid ervan niet is aangetoond. Alleen als theorievorming vrij is en niet door een star principe wordt belemmerd blijft de deur naar betere kennis open. Ook ideeŽn die niet met de bestaande opvattingen stroken kunnen dan serieuze aandacht krijgen.

Popper geeft verschillende criteria om te beoordelen of een bepaalde theorie beter is dan andere. Onder meer is van belang in welke mate en hoe nauwkeurig de feiten door de theorie worden verklaard. Elke waarneming en ervaring waardoor de juistheid van een theorie aannemelijker wordt kan deze theorie ondersteunen. Naast experimenteel bewijs kunnen ook andere waarnemingen meer duidelijkheid en zekerheid opleveren. Met name kan ook in de dagelijkse praktijk steeds meer blijken dat een theorie inderdaad juist is. Met de methode van Popper kan de exactheid en zekerheid van kennis geleidelijk groeien. Een overzicht van de wetenschapsfilosofie van Karl Popper is te lezen in het boek "De groei van kennis", een door uitgeverij Boom gepubliceerde selectie uit het werk van deze filosoof.

Ook als het gaat om een fundamentele theorie ofwel een paradigma kan de juistheid door waarneming van fenomenen in de werkelijkheid worden bevestigd of juist worden tegengesproken. Het materialistische paradigma wordt voortdurend door de persoonlijke ervaring weerlegd. Dit paradigama laat veel feiten onverklaard en het blijkt dan ook te worden verdrongen door een beter wetenschappelijk uitgangspunt: het vitalisme.


Het vitalisme

Dankzij de geesteshouding van De Vragende Mens wordt steeds duidelijker dat het materialistische paradigma aan vervanging toe is. Het succes van de westerse cultuur is te danken aan deze levensfilosofie, die opkwam in het oude Griekenland. Veel mensen die beseffen dat de hedendaagse wetenschap over belangrijke aspecten van het leven op een dwaalspoor is geraakt gaan zelf op onderzoek uit.

Thomas Kuhn heeft in zijn bekende boek "De structuur van wetenschappelijke revoluties"  beschreven hoe een achterhaald paradigma uiteindelijk door een beter wordt vervangen. Zo'n verandering ofwel paradigmashift kan ingrijpende gevolgen hebben voor de wetenschap en de samenleving. Veel op het oude paradigma gebaseerde theorieŽn gaan tezamen met het achterhaalde paradigma ten onder, terwijl veelbelovende nieuwe theorieŽn zich aandienen.

Het in opkomst zijnde vitalistische paradigma wordt voor iemand die bewust leeft en die aandacht heeft voor de levende natuur steeds opnieuw bevestigd. Volgens het vitalistische beginsel bestaan er twee werkelijkheidsgebieden: de objectieve werkelijkheid en de subjectieve werkelijkheid. De objectieve ofwel materiŽle werkelijkheid is de voor iedereen aanwezige gezamenlijke werkelijkheid. Door materialistische filosofen wordt alleen deze objectieve werkelijkheid erkend.

De mens, als kennend en ervarend subject, leeft echter niet alleen in deze gezamenlijke werkelijkheid maar ook in de eigen subjectieve werkelijkheid. Vitalistische filosofen stellen dat de subjectieve werkelijkheid zeker zo belangrijk is als de objectieve. Subjecten ofwel zielen hebben altijd te maken met twee werelden: de eigen subjectieve wereld en de gezamenlijke objectieve wereld. Onderzoek van de objectieve wereld is slechts mogelijk omdat de onderzoeker ook een subjectieve werkelijkheid heeft waarin hij creatief kan omgaan met ideeŽn, vermoedens, theorieŽn, inzichten, verbeeldingen, herinneringen en conclusies. Alleen dankzij het bestaan van de ziel met zijn subjectieve werkelijkheid is kennis betreffende de objectieve werkelijkheid mogelijk.

Die kennis is ook nodig, namelijk om de materiŽle werkelijkheid leefbaarder te maken. Dankzij de opkomst van het vitalisme begint men in te zien dat het bij research-projecten in eerste instantie vooral gaat om relevantie, ofwel bruikbaarheid met betrekking tot het vergroten van de leefbaarheid. De gemeenschappelijke objectieve werkelijkheid moet aangepast worden zodat deze aan de ervarende subjecten meer mogelijkheden tot geluk biedt. Daarom moet relevantie bij onderzoek voorrang hebben boven zekerheid. Bij een niet relevante theorie is het niet nodig om veel onderzoeksgeld en moeite te besteden aan vergroting van de zekerheid. Bij een wel relevante maar nog onzekere theorie is het wel zinvol om door onderzoek meer zekerheid te verkrijgen.

Hoewel de wetenschapsfilosofie van Popper terrein wint zien we nog steeds hoe theorieŽn met hoge relevantie zonder meer worden verworpen omdat ze nog relatief weinig zekerheid hebben. Dat gebeurt onder meer in de hedendaagse geneeskunde. Men bouwt in de medische research vaak slechts voort op bestaande zekerheden die weinig of niets hebben bijgedragen aan het terugdringen van volksziektes als aderverkalking, suikerziekte en kanker. Naarmate het vitalisme meer en meer als fundamenteel paradigma in de samenleving wordt erkend zal de wetenschap zich in toenemende mate toeleggen op het postuleren van werkelijk relevante theorieŽn en het zoeken naar empirische steun om deze theorieŽn te onderbouwen.


De redelijke ziel

Deze methode werd al door Descartes ontwikkeld en toegepast. Descartes bereikte door middel van zijn systematische twijfel een basiszekerheid waaraan hij niet kon twijfelen: dat hij dacht en dus als ziel, als een wezen met denkvermogen, daadwerkelijk bestond. Vervolgens bestudeerde hij zijn eigen denkvermogen en dat bracht hem tot het inzicht dat hij als kennend subject niet alleen in staat was tot vragen en twijfelen maar ook tot duidelijk en zeker weten. Door systematische waarneming kan een kennend subject steeds meer kennis en begrip betreffende een aspect van de werkelijkheid verwerven, was zijn conclusie.

Door zijn onderzoekmethode toe te passen kwam Descartes ook tot de zekerheid dat de dood van zijn lichaam geenszins zou betekenen dat hij dan zelf, als ziel, zou sterven. Volgens Descartes is het lichaam slechts een soort machine, een mechanisch systeem. In de hedendaagse cultuur heeft vooral dat gedeelte van zijn werk bekendheid gekregen. Dat Descartes de basis heeft gelegd voor een wetenschappelijk vitalisme is veel minder bekend. Aangezien hij wordt beschouwd als een van de grondleggers van de moderne cultuur is het vandaag de dag zeker de moeite waard hem te lezen. In zijn boek "Over de methode" legt Descartes uit hoe onderzoek volgens zijn onderzoeksysteem tot kennis en zekerheid kan leiden.

Het vermogen tot het verwerven van kennis en zekerheid is een vermogen van de menselijke ziel. Alle levende wezens zijn bezield maar alleen de menselijke ziel is in staat tot een hoog niveau van rationeel begrip. De taaluitingen van mensen blijken dankzij de aanwezigheid van de redelijke ziel onvergelijkbaar veel rationeler en zinvoller te kunnen zijn dan die van de meest geavanceerde computer. Wat Descartes hierover stelde is vandaag de dag nog steeds juist. In zijn boek "Over de methode" bespreekt hij met vooruitziende blik het verschil tussen een sprekende computer en een mens. Het taalgebruik van een machine zal volgens hem altijd zeer onvolkomen zijn in vergelijking met dat van de mens als spiritueel wezen.


Materialistisch taalgebruik leidt tot onwetendheid

Dankzij Descartes heeft de wetenschap enorme vooruitgang geboekt. Zijn methode om door gerichte waarneming steeds dichter bij de waarheid te komen wordt in de huidige cultuur echter helaas niet meer consequent toegepast. De materialistische oriŽntatie van de cultuur vormt tegenwoordig een grote belemmering voor de verdere ontwikkeling van kennis van met name de subjectieve werkelijkheid. In de huidige omgangstaal hebben woorden voor uiteenlopende aspecten van de subjectieve werkelijkheid, van de bewuste persoonlijke ervaringswereld, vaak een zeer vage betekenis. Een gevolg daarvan is onder meer dat in de moderne cultuur een wijd verbreide misvatting heerst dat alleen over materiŽle zaken rationele kennis en communicatie mogelijk is.

Dit heeft onder meer een ongunstige invloed in verband met de opvoeding. Een kind dat begint de taal te leren luistert naar wat anderen zeggen en probeert betekenis te geven aan woorden. Als dat niet lukt stelt het kind vragen. Maar als een kind bijvoorbeeld vraagt "Wat is denken?" dan krijgt het soms een uiteenzetting over hersenprocessen waarmee het volledig op een dwaalspoor komt. De belangrijke informatie dat het ik, de ziel, in staat is tot het creŽren van ideeŽn en verbeeldingen wordt niet aan het kind verstrekt. Een opgroeiend mens heeft veel vragen en het is van essentieel belang dat deze juist worden beantwoord.

Wat we in deze tijd echter zien is dat veel vragen niet serieus worden genomen en worden genegeerd of met een dooddoener worden beantwoord. Dat heeft in veel gevallen tot gevolg dat de interesse bij het kind voor met name de subjectieve werkelijkheid uitdooft. Als een mens geen redelijke antwoorden op zijn vragen krijgt verdwijnt het verlangen naar kennis dat normaliter bij iedereen aanwezig is.


Materialistisch onderwijs maakt dom

Het hedendaagse onderwijs is voornamelijk gebaseerd op het materialistische dogma; er is een eenzijdige oriŽntatie op de fysische werkelijkheid. In het onderwijs wordt bijvoorbeeld geen duidelijke informatie verstrekt over het vermogen van de ziel tot het creŽren van een imaginaire werkelijkheid. Kinderen met een goed voorstellingsvermogen, die graag praten over hun eigen imaginaire wereld, krijgen soms te horen dat die eigen verbeelde werkelijkheid niet echt is. Het woord imaginair wordt tegenwoordig vaak gebuikt als synoniem voor "niet bestaand".

Als zijn subjectieve werkelijkheid wordt genegeerd en ontkend gaat het voorstellingsvermogen van een kind achteruit. De wellicht twee belangrijkste spirituele vermogens zijn het voorstellingsvermogen en de intelligentie, en deze twee vermogens houden sterk verband met elkaar. Als het voorstellingsvermogen achteruit gaat dan daalt ook de intelligentie.

Welke richting iemand in het voortgezet onderwijs ook kiest, de informatie die men ontvangt is tegenwoordig altijd gebaseerd op een materialistische wereld- en levensbeschouwing. Binnen de natuurwetenschappen lijkt dat geen probleem want de natuurwetenschappen hebben betrekking op het materiŽle universum en het weglaten van informatie over de subjectieve werkelijkheid tast het professionele gebied dus niet direct aan. Voor de intelligentie en de creativiteit van de student is de materialistische eenzijdigheid echter wel schadelijk, want wie meent dat deze vermogens slechts functies van de hersenen zijn zal zich onmogelijk volledig geestelijk kunnen ontplooien.

Op het gebied van de menswetenschappen is de fixatie van de samenleving op het materiŽle desastreus. Psychologie zou de wetenschap van de psyche, dat wil zeggen van het spirituele ik ofwel de ziel, moeten zijn. Hoe kan die wetenschap zinvolle kennis opleveren als de psychologen ervan overtuigd zijn dat er geen ziel bestaat?!

Naast opvoeding en onderwijs is er nog een derde bron waaruit de opgroeiende mens kennis zou kunnen putten: de media. Maar de media worden helaas voornamelijk gebruikt voor het verspreiden van een voortdurende stroom deprimerend nieuws, hypnotiserende reclameboodschappen en onbenullig amusement. De weinige informatieve tv-programma's vormen veelal slechts een lofzang op een of ander aspect van het materiŽle universum.


Paradigmashift

Toen in het oude Griekenland het Orakel van Delphi had gezegd dat er geen wijzer man bestond dan Socrates begreep Socrates dat niet. Hij vond zichzelf niet buitengewoon wijs en hij dacht dat er gemakkelijk mensen te vinden waren die wijzer waren dan hijzelf. Plato schrijft in het boek Apologie hoe Socrates, tijdens zijn verdediging voor het gerecht dat hem ter dood zou veroordelen, over zijn zoektocht naar waarheid vertelt: "Deze onderzoekingstocht, Atheners, heeft mij veel vijandschap bezorgd en wel zeer bittere en zware, waaruit veel laster is voortgekomen ... ď

Socrates was in de westerse cultuur de eerste Vragende Mens. Hij blťťf zoeken naar waarheid, omdat hij besefte dat veel zekerheden van zijn tijd slechts schijnzekerheden waren. Ook in onze tijd is de maatschappelijke orde gebaseerd op schijnzekerheid, namelijk de mythe dat de mens door toeval is ontstaan, en dat ditzelfde toeval kan leiden tot steeds meer vooruitgang.

Ook nu veroorzaakt De Vragende Mens een paradigmashift, een omwenteling in de wetenschap en de cultuur. Geleidelijk begint men in de wetenschap in te zien dat het materialistische dogma een dwaalspoor is, en dat alleen het vitalisme naar waarheid kan leiden. Op basis van het vitalistische paradigma is veel kennis beschikbaar, praktische kennis die toepasbaar is in het dagelijkse leven. Uit vitalistische bronnen klinkt een boodschap die heel wat hoopvoller is dan die van het materialisme.


Copyright © 2008-2011 Jan Everink